Identiteit (Paul Verhaeghe)

Homo homini lupus Est: de mens is een wolf voor de andere mens. Merkwaardig genoeg staat een andere uitleg daar lijnrecht tegenover: de mens is juist van nature goed, het is de postmoderne maatschappij die ons slecht maakt.
Das unbehagen in der kultur (freud)

Ik herken daarin twee fundamentele gerichtheden die vermoedelijk typerend zijn voor al wat leeft: we willen deel uitmaken van grotere gehelen en tegelijk streven we naar onafhankelijkheid.

Je Est un autre

Alle ideologieën reguleren de toegang tot genot, maar de manieren waarop zijn er erg verschillend. Daarnaast delen ze nog een punt: elke ideologie acht de eigen regelgeving superieur en beschouwt die van de ander achterlijk of decadent.

Merkwaardig genoeg kunnen zowel gelijkheid als verschil aanleiding geven tot agressie. Van iemand die al te zeer op ons lijkt, willen we afstand nemen; we willen het verschil maken. En verschilt iemand te veel van ons, dan willen we diegene ofwel gelijk maken aan onszelf (integratie) of we willen zelf op hem lijken (can’ t beat them, join them)

Een geslaagde maatschappij heet geslaagd wanneer er een leefbaar evenwicht heerst tussen gelijkheid en verschil, waarbij agressie minder gevaarlijke uitwegen vindt.
Voetbal is oorlog, kunst verzacht de zeden, carnaval zorgt voor toegelaten ontsporing en rituele zondebokken de woestijn insturen is niet eens zo’n slecht idee.

Dingen benoemen is niet hetzelfde als dingen begrijpen

Het woord burgers roept bij mensen onder de dertig alleen nog gedachten aan McDonald’s op.

De 4 managementsymptomen:
Dr Marc Desmet beschrijft op grond van zijn ervaring als ziekenhuisarts vier managementsymptomen. Ze kunnen alle vier naadloos toegepast worden op alles wat door de marktwerking aangetast is.
Een eerste klacht betreft de voortdurende veranderingen, gaande van constante verbouwingen, het invoeren van het allerlaatste computerprogramma, een nieuwe aanpak voor het uurrooster tot de ‘inkanteling’ van een ander ziekenhuis of de zoveelste fusie tussen diensten, waarbij alles voortdurend ‘getoetst’ en ‘bijgestuurd’ wordt. Opvallend: de mensen die het eigenlijke werk moeten doen, krijgen weinig of zelfs helemaal geen inspraak.
Dat laatste voert onmiddellijk naar een tweede pijnpunt: het Big Brother-gevoel. Niet de veranderingen, maar de werknemers worden voortdurend geëvalueerd, middels functioneringsgesprekken, audits en dergelijke. Erg bevorderlijk voor een plezierige werksfeer is het allemaal niet, en op veel afdelingen is de teamgeest ver te zoeken. Ook hier wordt er gemeten en geteld, en ook hier heeft dit een pervers effect. Binnen de kortste keren gaan werknemers op alle niveaus hun gedrag op de metingen instellen: het andere ‘telt toch niet mee’. Dat de dictatuur van het meetbare haaks staat op wat zorg is, valt helaas niet met cijfers te bewijzen, dus verdwijnt de eigenlijke zorg pijlsnel.
Vandaar een derde, al helemaal paradoxale klacht: het systeem leidt ertoe dat er almaar minder aandacht naar de kern van het werk gaat, en steeds meer naar administratie, management en controle. Zonder twijfel zouden ziekenhuizen veel beter functioneren indien er geen patiënten waren. In een ironische bui heb ik ooit, na geweeklaag van collega’s tijdens een faculteitsraad, voorgesteld het onderwijs af te schaffen. Patiënten en studenten nemen te veel van onze kostbare tijd in beslag, en zij zijn zich daar goed van bewust: ‘Professor, ik weet dat u geen tijd heeft, maar als het even kan, zou u dan…’ ‘Zuster, wanneer denkt u dat ik de arts zou kunnen zien?’ Weg met die handel, kun je meteen de stookkosten drukken..

Iedereen wordt voortdurend aangemaand om te besparen, iedereen ziet hoe er massaal geld gaat naar zaken die het werk niet ten goede komen, een factuur voor de consultancy
die een nieuwe naam moest verzinnen en een dito slogan- die je vooral niet moet toepassen (‘Wij zijn er voor u!)

Lacan: l’amour c’est donner ce qu’on a pas

Binnen een neoliberale maatschappij bestaat de functie van het onderwijs niet zozeer in het hoog opleiden van mensen, als wel in het selecteren en kneden van jongeren tot een bepaald profiel dat binnen het systeem de hoogste productiviteit waarborgt, Wat die jongeren effectief op de werkvloer moeten doen, zullen ze grotendeels op diezelfde vloer leren, en niet op school.

Bij de nieuwe identiteit van de mens als ondernemer hoort ook een nieuw levensdoel: succes. Dit is wat jongvolwassenen elkaar toewensen bij wijze van afscheidsgroet. Succes bij de examens, succes op vakantie, succes in de relatie, succes op de werkvloer.
De klassieke vraag naar ‘het goede leven’ klinkt in deze context wel heel erg wollig – goede lééven? -, ook al omdat die vraag impliciet het accent legt op het leven in een gemeenschap, terwijl het woord ‘succes’ eerder beperkt blijft tot het individu.

Op de koop toe worden werknemers in toenemende mate aangeworven op een ‘project’ – ook in de bedrijfswereld -, waarbij ze vanaf het begin heel hard en in onderlinge competitie moeten werken in de hoop op een eventuele verlenging van hun contract. Dit systeem kan slechts een beperkt aantal ‘winnaars’ bevoordelen, met als gevolg angst (‘Hou ik mijn baan?’) en afgunst (‘Die gladjanus haalt het zeker’). Teamgeest verdwijnt razendsnel, met als typisch symptoom de noodzaak van ‘teambuilding’, niet zelden – o ironie – in de toepasselijke vorm van survival(-of-thefittest)-weekends. In de plaats van solidariteit komt een algemeen wantrouwen. Loyaliteit aan en identificatie met het bedrijf zijn zaken waarin de werkgever letterlijk moet investeren. De verdwijning van teamspirit is zelfs op het voetbalveld zichtbaar, wat minister van Staat Louis Tobback, ooit een fervent supporter, deed opmerken: ‘Ik zie elf bvba’s [besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid] op dat veld rondlopen, spelers die alleen maar denken: waar kan ik volgend seizoen nog meer verdienen?’

De huidige dwingende gezondheidsnorm heet ‘succes” die bovendien financieel en materieel zichtbaar moet zijn.
De mogelijkheid dat een succesvolle jonge professional naar wie iedereen opkijkt en die heel wat bonussen binnenrijft ’s avonds alleen op zijn loft zit te verpieteren en zichzelf moet oppeppen met pillen, alcohol en internetseks, gaat in tegen alle verwachtingen.

De grens tussen ‘geslaagd’ en ‘gestoord’ is vrij dun

Eenzaamheid is zonder twijfel de meest frequente ‘stoornis’ van onze tijd.

De postmoderne mens lijdt aan een vreemde dissociatie, een nieuwe vorm van persoonlijkheidsverdubbeling” We klagen het systeem aan, staan er vijandig tegenover en voelen ons machteloos om het te veranderen. Anderzijds gedragen we ons op een manier die het systeem voortdurend bevestigt en uitbreidt. De wijze waarop we eten en drinken, ons kleden, verplaatsen, op vakantie gaan, zijn daar stuk voor stuk voorbeelden van – wij zijn het systeem waarover we klagen. Een proteststem uitbrengen voor ultralinks of ultrarechts zal niet volstaan om deze situatie te wijzigen. Het is niet de ander die moet veranderen; de pijnlijke waarheid is dat we het ook zelf zullen moeten doen. In plaats van alleen maar consument te zijn, moeten we weer burger worden. Niet alleen in het sternhokje, maar ook, en zelfs vooral, in de manier waarop we ons leven leiden.
Een van de noodzakelijkste veranderingen is het loslaten van het huidige cynisme waarin we bijna allemaal vergleden zijn.

Geef een reactie