Identiteit (M. Kundera)

“Ik heb reden te geloven dat de planeet waar het prinsje vandaan kwam de asteroïde B 612 was. Die is maar één keer met de telescoop gezien, in 1909 door een Turkse sterrenkundige. Deze legde toen zijn ontdekking uitvoerig uit op een internationaal congres voor sterrenkunde. Maar niemand geloofde hem, om zijn Turkse kleren. Zo zijn grote mensen Gelukkig voor de bekendheid van asteroïde B 612 dwong een Turkse dictator zijn volk zich Europees te kleden. Er stond zelfs de doodstraf op, als men het niet deed. In 1920 hield de sterrenkundige zijn uitleg nog eens, ditmaal in een keurig pak. En nu was iedereen het met hem eens. (p 17)

Wanneer je hun vertelt van een nieuwe vriend vragen ze nooit het belangrijkste. Ze zeggen nooit: “hoe klinkt zijn stem?” Van welke spelletjes houdt hij het meest?” Maar ze vragen “Hoe oud is hij?””Hoeveel weegt hij?” En “hoeveel verdient zijn vader?” Dan pas vinden ze dat ze hem kennen.” (p17)

“Misschien lijk ik een beetje op de grote mensen. Ik ben zeker oud geworden.” (p 19)

“Hij heeft nooit van iemand gehouden maar altijd alleen maar optelsommen gemaakt. En net al jij zegt hij de hele dag: ‘ik ben een ernstig man. Ik ben een ernstig man’ En dan zwelt hij van trots. Maar dat is geen man, dat is een paddenstoel!” (p 27)

“En zo was de kleine prins, ondanks zijn goede wil en zijn liefde, al gauw aan haar gaan twijfelen. Hij had een paar onbelangrijke woorden veel te ernstig opgevat en was daardoor heel ongelukkig worden.” (p 29)

“Ik had haar moeten beoordelen naar haar daden en niet naar haar woorden.” (p 29)

“Ja zeker, ik houd van je, zei de bloem. Je hebt dat nooit geweten door mijn eigen schuld. Het doet er niet toe. Maar jij hebt al net zo dwaas gedaan als ik. Probeer gelukkig te worden, laat die stolp maar. Die wil ik niet meer.” (p 34)

“Als ik een generaal beval van de ene bloem naar de andere te fladderen als een vlinder, of een treurspel te schrijven of zich in een watervogel te veranderen, en als dan die generaal het bevel niet uitvoerde, wie zou dan ongelijk hebben, hij of ik? – Natuurlijk u, zei de kleine print zonder aarzelen. – Juist. Men moet van niemand meer eisen dan hij geven kan. Gezag steunt in de eerste plaats op verstand. Als je het volk beveelt zich in zee te storten, komt het volk in opstand. Ik heb het recht gehoorzaamheid te eisen omdat mijn bevelen redelijk zijn.” (p 38)

“Dan zal je dus over jezelf oordelen, antwoordde de koning. Dat is het moeilijkste. Het is veel moeilijker over jezelf te oordelen dan over anderen. Als het je lukt om een juist oordeel over jezelf te hebben, dan heb je de ware wijsheid gevonden.” (p .39)

“Het is een verschrikkelijk beroep. Vroeger ging het nog. ’s Morgens deed ik de lantaarn uit en ’s avonds weer aan. De rest van de dag kon ik rusten en de rest van de dag kon ik rusten en de rest van de nacht kon ik slapen… En zijn de voorschriften dan na die tijd veranderd? –Nee, de voorschriften niet. Dat is juist de hele ellende. De planeet is ieder jaar vlugger gaan draaien en de voorschriften zijn niet veranderd!” (p 48)

“Terwijl het prinsje verder reisde bedacht hij, dat alle anderen op die lantaarnopsteker neer zouden zien: de koning, de ijdeltuit, de dronkaard en de zakenman. En toch is hij de enige, die ik niet belachelijk vind. Misschien omdat hij zich met andere dingen dan met zichzelf bezighoudt.” (p 50)

Geef een reactie